In de klas moeten de leerlingen van de meester een zin maken met woorden die op elkaar rijmen. Jantje: "Het is fijn om in de klas te zijn." "Zeer goed" zegt de meester, "wie weet er nog een?" Piet: "Oost west, thuis best." "Ook goed," zegt de meester, "wie weet er nog een?" Zegt Jopie: "Ik ben gisteren naar de zee geweest en er vaarden veel boten, ik stond in het water dat reikte tot mijn knieën." "Ja, maar dat rijmt toch niet?" zegt de meester. Jopie: "Nee meester maar een uur later wel!"